Toch bleef ergens het gewone leven zijn gang gaan. In de zomer, kwamen de buren na het werk buiten om te genieten van de lange avonden. Er werden tafels en stoelen op de steenweg gezet, er werd met de kaart gespeeld. Aan een vierkant tafeltje voor het winkeltje van Gusta werden geesten opgeroepen die door geklop met een van de tafelpoten antwoord gaven op gestelde vragen. Toen mama mij betrapte dat ik het spel stond af te kijken werd ik op staande voet binnen geroepen.
“Ik wil niet dat je nog tot ginder gaat, dat is daar alleen voor grote mensen.” “Ja, maar ik heb het toch gezien dat het tafeltje omhoog sprong als Kamiel vroeg of de oorlog nog lang zou duren.” ”Ik wil er niets meer van horen” Mama was erg bijgelovig, geesten waren haar ding niet.
En toen werd het winter. Ik hoopte dat het zou sneeuwen en dat de sneeuw zou blijven liggen zodat ik baantje kon glijden. Dat het daarbij koud zou worden en dat er kolenschaarste was, maakte voor mij niets uit…’ik was een kind en wist niet beter…’
We hadden tot hier toe het tekort aan brandstof tamelijk goed kunnen omzeilen. Af en toe moesten we wel ‘slam’ branden in de kachel omdat er geen kolen te krijgen waren. Slam was de laagste kwaliteit brandstof, een zak goed natgemaakt zwart stof dat druipend van de kar door het hele huis gedragen, een spoor van grote zwarte spatten achterliet en vanachter in het kolenhok gegoten werd.
Warmte gaf slam niet. Bij het opbranden vormde het een dikke koek, die voortdurend met de pook moest opengestampt worden.
Het was in die tijd dat de buren samen kwamen en besloten dat het zo niet langer kon. Ze klaagden dat ze zelfs geen slam meer konden bekomen.
“ Elke nacht verdwijnen meer en meer eikebomen, die afgezaagd worden door mensen die van hier niet zijn. Wij leven hier en laten ze van voor onze neus weghalen, terwijl we zelf geen vuur kunnen stoken. Wie wil meedoen om morgennacht een boom te vellen?”

Onderaan zijn de luchtwortels
Het was niet zo simpel, doch vier man gaven akkoord. Bomen omhakken was onwettelijk, er stond een zware straf als de overheid het te weten kwam, daarom werd besloten dat de vrouwen thuis zouden blijven wachten tot de mannen terugkwamen om dan vlug de buit helpen binnen te dragen.
‘Hun’ boom stond voorbij de bocht van Den Doorn een beetje verder dan het Klein Kasteeltje, aan de rechter kant van de steenweg. Hier stonden geen huizen meer en waren ze min of meer veilig. Bij onraad konden ze door het veld oversteken naar de Okegembaan. Er stonden nog drie bomen, het zou minder opvallen dat er een van verdwenen was.
De avond brak aan, de maan verlichtte de steenweg alsof het dag was. Dat was meer dan ze nodig hadden, doch wachten had geen zin. Het gevaar op ontdekking was groter, maar opgeven deden ze niet.
Mama maakte mij zachtjes wakker, ik was op mijn stoel aan tafel in slaap gevallen, mijn hoofd op mijn album van Robbedoes.
“ Kom we gaan eens tot ginder, om te zien hoe ver ze al zijn”
“ Ge moogt niet, papa heeft gezegt dat ge niet mocht buiten komen.”
“Och, hij zal niets zeggen als wij ginder zijn, we zullen rap terug komen.”
Ik was er niets gerust in, en repte mijn korte beentjes om zo vlug mogelijk door te stappen. We konden van ver het groepje zien, maar toen we naderbij kwamen was papa niet te bespeuren.
“ Waar is Albert?” vroeg mama ongerust.
“Hij zit ginder bovenaan, hij is bezig om de hoge takken af te zagen.”
We keerden vlug terug en zouden verder wachten.
Papa bleef verder takken afzagen en de anderen konden ze beneden verdelen in kleinere stukken, in hun kruiwagens leggen en vlug naar huis voeren.
Alle takken klein en groot waren al uit de weg, er bleef alleen de stam over om in gelijke stukken te zagen. Niemand had er aan gedacht dat Albert in de boom geen kans gekregen had om zijn part van de kleine stukken van kant te leggen.
Ze waren druk in de weer geweest om vlug door te werken en de sporen uit te wissen. De stam werd verdeeld, papa kreeg het onderste deel en om het goed te maken dat de anderen alle takken meegenomen hadden mocht hij ook de harde luchtwortels en het ‘jijsgat’, hebben. De anderen maakten zich nu vlug uit de voeten en papa bleef achter om de wortels uit te graven.
Hij was razend kwaad toen hij thuis kwam. Moe, afgewerkt en bedrogen door zijn eigen buren.
Het jijsgat zijn de worteld die juist onder de stam in de grond beginnen. Het is al onmogelijk om nat hout te branden, maar uit wortels krijgt men niets, maar dan ook niets van warmte, ze mogen nog poeierdroog zijn…
Die
winter verdwenen veel bomen aan de Steenweg, maar mijn pa heeft nooit meer meegeholpen, hij zorgde voor zijn eigen vooraad hout, hij had zijn les geleerd.
©jacquelinehr