Herinnering aan Yvoir.

Tags

, , , ,

In het eerste jaar van de oorlog,  nadat hij uit de kolonne krijgsgevangenen ontvlucht was,  ging papa in de Walen werken.  Hij bleef soms veertien dagen van huis weg en op zeker weekend in de late zomer gingen mama en ik hem bezoeken.  Hij had logies gevonden bij een familie van twee ongetrouwde bejaarde zusters en een broer.

Het was een oud huis met een grote voortuin.  Toen we er aankwamen stonden de twee jonge juffrouwen ons aan de deur al op te wachten.  Beiden droegen een enkellang zwart kleed met wit kraagje en hadden een witte schort omgebonden.  Het vaal grijze haar was strak naar achteren getrokken en laag in de hals in een knoet vastgespelt.  We werden  met open armen ontvangen.  Letterlijk open armen.  Ik had zo al een hekel aan de drie kussen ter begroeting, en trachtte daar altijd aan te ontsnappen,  maar hier was geen ontkomen aan.  Elk van de zusters sloot mij in de armen, drukte me hard tegen hun omvangrijke boezem, vooraleer me drie klinkende smakken op de wang te drukken.  De niet zo schaarse haren op hun bovenlip,  prikten zo hard  in mijn huid dat ik er koude rillingen van kreeg. Hun broer met een volle grijze baard hield het bij een stevige handdruk… gelukkig…

“ Bonjour mademoiselle,  bonjour monsieur”  papa hield eraan dat ik hen in het frans aansprak,  waarop zij met handgeklap en verukte gilletjes hun goedkeuring demonstreerden.

Aan de Maas

Na de ontvangst gingen we wandelen langs de Maas en toen we later terugkeerden werden we uitgenodigd om aan de lange tafel te gaan zitten waar we samen met onze gastvrouwen van een heerlijk avondmaal konden genieten.

Op onze slaapkamer stonden twee bedden.  De matrassen waren dik opgetast, maar in tegenstelling tot mijn eigen met pluimen opgevulde matras thuis, was deze opgevuld met paardenhaar waarvan de stekels door het tijk zodanig prikten dat ik terug uit het bed wipte en mijn ouders meer dan overredingskracht nodig hadden om er me terug in te krijgen.   Er was geen plekje stekelvrij zodat ik de hele nacht bijna niet kon slapen.

Wat een opluchting dat ik maar een nacht in dat bed hoefde te slapen.  De volgende dag spoorden mama en ik terug naar huis.   Papa was enkele weken later voorgoed terug in Ninove waar hij bij de stadsdiensten aangenomen werd als electrieker.

©jacqueline

Lees verder »

Beter laat dan niet.

Tags

, , ,

Meer dan veertien dagen zijn verlopen nadat ik de belofte maakte dat ik hier meer oude fotos zou tonen.  Laat me nu inleveren met nog een achtergebleven afbeelding van de inhuldiging van de pastoor in Okegem.  Ik kan er geen namen bijzetten, maar als er iemand van herkend wordt mag dat gerust in het commentaar gezet worden.  Dat zou andere lezers helpen.

©jacquelinehdd

Inhuldiging in Okegem

Tags

, , ,

Pastoors

Pastoors op een rij

Inhuldigeng van de nieuwe pastoor te Okegem.

Aan het eind van de rij zijn schepen Vander Spiegel en burgemeester De Dier te herkennen.  De namen van de pastoors ken ik niet,  alleen weet ik dat de middenste de deken van Ninove was.  Bemerk ook de statiekoets door paarden getrokken.

Bij de inhuldiging van de pastoor.Het was een hele eer voor het meisje om de bloemen te mogen afgeven.

 

 

 

 

 

©jacquelinehd

Een Koning tot Peter

Kroostrijke gezinnen waren vroeger geen rariteit,  maar dat er zeven jongens achtereenvolgend geboren werden,  was een zeldzaamheid en daarom werd de koning peter van het zevende kind.

Alleen was de koning niet altijd beschikbaar en was het de taak van de burgemeester om voor Zijne Koninklijke Hoogheid in te vallen en de pasgeborene boven het doopvont te houden.
Dat was voor Burgemeester De Dier geen moeite.  Hij deed het graag en was er fier over.  Speciaal als het kind bovendien Cyriel genoemd werd.

.

CYRIEL DE DIER Ereburgemeester van Groot-Ninove

Tags

, , ,

Cyriel De Dier werd op 14 Juni
1891 te Okegem in de provincie Oost Vlaanderen geboren.

Cyriel De Dier

Cyriel De Dier Burgemeester

In het tijdschrift De Heemkring
wordt hij aangeduid als een van de ‘Markante Okegemse Figuren’.

Hij was lid van de gemeenteraad
van 1927 tot 1965.  Hij was tevens burgemeester van
Okegem van1934 tot 1952.

Omdat hij niet duitsgezind was
werd zijn functie gedurende de oorlog van 1941 tot 1944 voor drie jaar onderbroken
en werd hij vervangen door een substituant.

 In 1983 wordt hij door de Koning der
Belgen tot Ereburgemeester van Groot-Ninove aangesteld.

©jacquelinehdd

HET JIJSGAT

Toch bleef ergens het gewone leven zijn gang gaan. In de zomer, kwamen de buren na het werk buiten om te genieten van de lange avonden.  Er werden tafels en stoelen op de steenweg gezet, er werd met de kaart gespeeld.  Aan een vierkant tafeltje voor het winkeltje van Gusta werden geesten opgeroepen die door geklop met een van de tafelpoten antwoord gaven op gestelde vragen. Toen mama mij betrapte dat ik het spel stond af te kijken werd ik op staande voet binnen geroepen.

 “Ik wil niet dat je nog tot ginder gaat, dat is daar alleen voor grote mensen.”                                                                            “Ja, maar ik heb het toch gezien dat het tafeltje omhoog sprong als Kamiel vroeg of de oorlog nog lang zou duren.”  ”Ik wil er niets meer van horen” Mama was erg bijgelovig, geesten waren haar ding niet.           

En toen werd het winter.  Ik hoopte dat het zou sneeuwen en dat de sneeuw zou blijven liggen zodat ik baantje kon glijden.   Dat het daarbij koud zou worden en dat er kolenschaarste was, maakte voor mij niets uit…’ik was een kind en wist niet beter…’

We hadden tot hier toe het tekort aan brandstof tamelijk goed kunnen omzeilen. Af en toe  moesten we wel ‘slam’ branden in de kachel omdat er geen kolen te krijgen waren.  Slam was de laagste kwaliteit brandstof,  een zak goed natgemaakt zwart stof dat druipend van de kar door het hele huis gedragen, een spoor van grote zwarte spatten achterliet en vanachter in het kolenhok gegoten werd.    

Warmte gaf slam niet.  Bij het opbranden vormde het een dikke koek, die voortdurend met de pook moest opengestampt worden.

 

Het was in die tijd dat de buren samen kwamen en besloten dat het zo niet langer kon.  Ze klaagden dat ze zelfs geen slam meer konden bekomen. 

“ Elke nacht verdwijnen meer en meer eikebomen, die afgezaagd worden door mensen die van hier niet zijn.  Wij leven hier en laten ze van voor onze neus weghalen, terwijl we zelf geen vuur kunnen stoken.  Wie wil meedoen om morgennacht een boom te vellen?”

Onderaan zijn de luchtwortels

Het was niet zo simpel, doch vier man gaven akkoord.  Bomen omhakken was onwettelijk, er stond een zware straf als de overheid het te weten kwam,  daarom werd besloten dat de vrouwen thuis zouden blijven wachten tot de mannen terugkwamen om dan vlug de buit helpen binnen te dragen.

‘Hun’  boom stond voorbij de bocht van Den Doorn een beetje verder dan het Klein Kasteeltje,  aan de rechter kant van de steenweg.  Hier stonden geen huizen meer en waren ze min of meer veilig. Bij onraad konden ze door het veld oversteken naar de Okegembaan. Er stonden nog drie bomen,  het zou minder opvallen dat er een van verdwenen was. 

 

De avond brak aan, de maan verlichtte de steenweg alsof het dag was. Dat was meer dan ze nodig hadden, doch wachten had geen zin.  Het gevaar op ontdekking was groter, maar opgeven deden ze niet.

 

Mama maakte mij zachtjes wakker, ik was op mijn stoel aan tafel in slaap gevallen, mijn hoofd op mijn album van Robbedoes.

 “ Kom we gaan eens tot ginder, om te zien hoe ver ze al zijn”

“ Ge moogt niet, papa heeft gezegt dat ge niet mocht buiten komen.”

“Och, hij zal niets zeggen als wij ginder zijn, we zullen rap terug komen.”

Ik was er niets gerust in, en repte mijn korte beentjes om zo vlug mogelijk door te stappen.  We konden van ver het groepje zien, maar toen we naderbij kwamen was papa niet te bespeuren.

“ Waar is Albert?” vroeg mama ongerust.

“Hij zit ginder bovenaan, hij is bezig om de hoge takken af te zagen.”

We keerden vlug terug en zouden verder wachten. 

 

Papa bleef verder takken afzagen en de anderen konden ze beneden verdelen in kleinere stukken, in hun kruiwagens leggen en vlug naar huis voeren.  

 Alle takken klein en groot waren al uit de weg, er bleef alleen de stam over om in gelijke stukken te zagen. Niemand had er aan gedacht dat Albert in de boom geen kans gekregen had om zijn part van de kleine stukken van kant te leggen.

Ze waren druk in de weer geweest om  vlug door te werken en de sporen uit te wissen.  De stam werd verdeeld,  papa kreeg het onderste deel en om het goed te maken dat de anderen alle takken meegenomen hadden mocht hij ook de harde luchtwortels en het ‘jijsgat’, hebben.  De anderen maakten zich nu vlug uit de voeten en papa bleef achter om de wortels uit te graven.

Hij was razend kwaad toen hij thuis kwam.  Moe, afgewerkt en bedrogen door zijn eigen buren.

Het jijsgat zijn de worteld die juist onder de stam in de grond beginnen. Het is al onmogelijk om nat hout te branden, maar uit wortels krijgt men niets, maar dan ook niets  van warmte, ze mogen nog poeierdroog zijn…

Die
winter verdwenen veel bomen aan de Steenweg, maar mijn pa heeft nooit meer meegeholpen, hij zorgde voor zijn eigen vooraad hout, hij had zijn les geleerd.

©jacquelinehr

DE STEENWEG vierde deel

Het Jijsgat

Eikenblad en Eikels foto Wikipedia

 In het derde jaar van de oorlog werd het heel moeilijk om aan voldoende eten te geraken.  Vlees, brood, melk en suiker onder andere waren gerantsoeneerd,  andere producten waren niet meer te verkrijgen zoals koffie, die vervangen werd door malt, de pelletjes van Cesar konden niet tippen aan de cacaopoeder van Kwatta.

Chocolade, bananen, appelsienen behoorden tot het verleden. 

De straatventers die wekelijks luid roepend hun waren kwamen aanprijzen waren van de steenweg verdwenen,  geen haring,  geen mandjes plattekaas meer te verkopen, geen ‘koel’n’,  geen mostaard… 

Ook Jefke met zijn ‘creim keire’ versiert met blinkende, klinkende koperen bellen die ik van ver kon horen, waar ik ’s zaterdags vol ongeduld zat op te wachten had moeten opgeven.

Er kwamen steeds meer in lompen  geklede mensen over de steenweg om de velden leeg te schooien nadat het graan geoogst was of om te knollen nadat een veld aardappelen gerooid was.

   

Ik hoorde fluisterende gesprekken waarin mijn ouders zich zorgen maakten dat ze niet meer genoeg te eten zouden hebben.  

Papa probeerde nog steeds bij de boeren in Aspelaere, Nederhasselt, St Antelinks aan bloem, eieren, boter en kaas te geraken, maar de prijzen werden steeds hoger opgedreven zodat hij dikwijls teleurgesteld en ontgoocheld thuis kwam. Hij voelde zich bedrogen, de zwarte markt floreerde, de boeren waren de meesters,  ze konden vragen wat ze wilden, ze konden weigeren te verkopen aan wie ze wilden en papa die steeds hun klant was geweest moest het afleggen tegen de smokkelaars.  

Het was bovendien erg gevaarlijk om met een zak aardappelen of een tas bloem aan de fiets gebonden naar huis te komen.  Als men gesnapt werd kon men op een enkel- richtingreis naar een of ander consentratiekamp gestuurd worden.  Deze contoleurs die de wegen, trams en treinen afschuimden op zoek naar slachtoffers waren geen Duitsers,  ze waren eigen volk in dienst van de vijand.

wordt vervolgd

©jacquelinehd

De Rolschaatsen…de rest van het verhaal…

Tags

, , , ,

Uit een tijd toen de Steenweg van Aalst nog een baan was en de eikebomen pas geplant.

Mama deed of ze niet wist waar ik het over had en zocht in haar tas naar iets dat ze wist dat er niet inzat.  Ik plaatste mijn zware boekentas op de grond,
mijn arm deed pijn, ik begon de moed al op te geven.  Bij mama was het ‘ja’ of ‘nee’ en als het neewas kon niets haar van gedacht doen veranderen.

“Ach  ja, die rolschaatsen…Ik heb er eens over nagdacht” begon ze “ het is oorlog, en schaatsen kosten geld, veel geld, en ge weet dat wij dat niet hebben.”

Ze pauseerde en rommelde opnieuw diep in haar boodschappentas,  bovendien werd haar aandacht afgeleid door een fietser die tien meter verder op de ‘velobaan’ kwam aangereden.  Ze deed een stap naaropzij,  duwde het hekje open en liep naar de voordeur, met mij dicht op haar hielen, stak de sleutel in het sleutelgat, draaide zich half om,  zuchtte diep en keek mij dringend aan.

“Het  zal ervan afhangen of ge uw beste doet op school.  Als ge goed leert en  als ge voor de proefwerken uw eerste of tweede zijt, zullen we zien of we aan rolschaatsen kunnen aangeraken.”

Jubelen deed ik niet meer, ik had te lang op antwoord moeten wachten.

Langs de ene kant was ik teleurgesteld omdat ik niet meteen een paar zou hebben, maar langs de andere kant hoefde ik mij geen zorgen te maken, ik was gerust dat ik voor de paasvakantie op de steenweg met de anderen mee zou kunnen rolschaatsen.

Ik was in het derde studiejaar en leren kostte mij geen moeite. Er waren proefwerken per trimester en bij de puntenafroeping werd meteen de plaats aangeduid die men verworven had. Ik had een paar keer de meeste punten behaald, wat me de eerste plaats bezorgde,  maar over het algemeen was ik ‘tweedes’.  Ik leerde gemakkelijk mijn lessen, maaktemijn huiswerk, het ging allemaal vanzelf.

Als naar gewoonte kwam de directrice in persoon de rapporten met de uitslagen van de proefwerken afgeven.

Na een kort gesprek met de lerares nam ze plaats vooraan in de klas.  Ik,  in volle afwachting  ging op de rand van mijn bank zitten om vlug te kunnen opstaan.

“ De eerste…Nicole H.”  Wel ja het was te verwachten, het was zij of ik…

Ik liet me wat verder uit mijn bank schuiven, een voet zijwaarts, klaar in de gang.“

De tweede is Josefa V.M.”

Wat? Josefa, was pas in het begin van het tweede trimester in onze klas aangekomen omdat er te veel leerlingen in haar oorspronkelijke klas waren, Ze had gedubbeld en was op de koop toe een jaar ouder dan ik…

“Jacqueline H.!” Met slappe benen raakte ik tot bij de directrice die mij het rapport met een brede zwaai overhandigde.

“ Hier, je bent maar een punt achter op Josefa, de volgende keer moet je beter je best doen.”

“ Ja Mevrouw” mijn stem piepte als van een gewonde vogel. Met een kniebuiging nam ik het gewraakte puntenboekje in ontvangst.

De rolschaatsen zou ik nu wel kunnen vergeten.

Het was Zaterdagmiddag,  normaal liep ik om thuis te zijn, nu slenterde ik de lange steenweg af.  Ik schopte steentjes voor mij uit, hinkelde op een been zigzaggend van het ene stuk beton naar het andere en liep mezelf te beklagen.   Dat ik meer percent had dan verleden keer zou niet in rekening worden genomen. Drie is geen twee.

Mama stond me aan de voordeur op te wachten, ik moet wel erg lang weggebleven zijn.

“ Wel, de hoeveelste zijt ge?”

“ Mijn tweede” de woorden waren de mijne niet, het was er uit en ik had er geen controle over gehad.  Ik schrok van mijn eigen leugen.  Niet gewoon van liegen zou  het vast en zeker uitkomen, maar het was te laat om terug te krabbelen. Buiten verwachting ging mijn leven ging voort en ik werd niet verbliksemd.

Een paar dagen later kwam papa thuis met een paar rolschaatsen. Het waren niet dezelfde als die van de andere kinderen, ze zagen er lichter uit.

Ik moest me eerst op het koerke leren rechthouden.  Dan kwam het grote
ogenblik…ik mocht er mee naar buiten op de steenweg.

“Het zijn er zonder bilzen, daar ga je niet veel kunnen mee doen, kijk eens wat onnozele wieltjes.”

Pestkop, allesweter, plezierverpester.

Volg

Get every new post delivered to your Inbox.