IK BEN EN BLIJF EEN NINOVIETER.

De fotos in het boekje ‘Ninovieter Kafeegieter’  laten zien hoeveel mijn leven met het stadscentrum van Ninove verweven was..
Ik ben er geboren en heb er gewoond, ben er van weg verhuisd en later terug gekeerd, heb er twee kinderen ter wereld gebracht, en de plannen voor de aanleg van de Centrumlaan, nu het hart van de stad , hadden een directe zij ongewilde impact op het verdere verloop van ons leven.

Ik werd geboren in de Beverstraat,  in een kamer boven het huis van wat nu de lederwinkel van Wattez Panny is. Vroeger was de zaak verdeeld in drie huizen. Rechts (naar de kant van de Geraardsbergse Straat), was een grote poort waar paardentuig was uitgestald. Helemaal achteraan werden garelen en zadels gemaakt.  Links bevonden zich de leefkwartieren.
Een zijdeur gaf toegang tot de winkel. Houten vloer, togen met glas, waar de portefeuilles in uitgestald lagen. Het rook er heerlijk naar leer en boenwas van de zadels, tassen en andere lederwaren die er werden verkocht.
Naast die winkel was de kruidenierszaak van mijn ouders begin de jaren dertig…

Van het begin van de eeuw tot eind de twintiger jaren leefden de ouders van mijn moeder in de Pamelstraat.
Ze verkochten er kruidenierswaren, vis, pluimvee en wild. Tot voor de eerste wereldoorlog gingen de zaken goed. De ‘rijke’ burgerij van Ninove en omstreken bezorgden mijn grootvader bestellingen van wild en speciale vis. ‘De gewone mens’ at in die tijd meest haring, vers, gerookt of opgelegde. Op Vrijdag, de geen-vlees-vandaag-dag van de week, was er ook nog kabeljauw en schelvis te verkrijgen. Alle andere vis was per speciale bestelling.

Eens per week,reed vader Arthur, met paard en kar naar Brussel om er op de vroegmarkt marchandise te gaan halen en later aan zijn klanten aan huis te bezorgen.
Toen de eerste wereldoorlog uitbrak werd voor hem geen uitzondering gemaakt en moest hij paard en kar inleveren aan de Duitsers. ( Zie foto in Ninovieter Kafeegieter).

Het was zijn bestaan. Hij had moeite om het verlies te verwerken maar trok zijn plan.
De paardekar werd vervangen door een stootkar. Doch de drang om het hoger op te brengen was weg. .
De physieke arbeid maakte hem dorstig. Kwestie van de kalandieze te onderhouden werden onderweg veel kapellekes aangedaan. Getuige de vele kafeetjes die her en der in de straten van het oude Ninove opengehouden werden.
Bij het thuiskomen, was zijn eerste bezigheid zijn papieren geld te tellen, de hoeken schoon uit te strijken en op stapeltjes leggen.
Nadien haalde hij de munten uit zijn zakken die hij met een groots gebaar aan mijn mama gaf. “Hier” zei hij dan “dat is allemaal voor u”. . Een beetje onverantwoord, want in plaats van te sparen deed mijn ma het allemaal op… aan kleren. Hoe dikwijls ze me vertelde dat zij in haar tijd tot de ‘best’ geklede meisjes van Ninove hoorde.

De slag kwam toen vader Arthur in 1931 plotseling, op de dorpel vam zijn winkel, overleed aan een hartaandoening .
De zaken konden niet meer op dezelfde manier verder gedaan worden. Mama trouwde en samen met haar moeder begon ze een kruidenierswinkel in de Beverstraat. Dit duurde maar een enkele jaren.
Meetje ging in de Burchtstraat, bij haar oudste dochter Jeanne, de zuster van mama wonen, en mijn ouders vertrokken voor een jaar naar Aspelare, de geboorteplaats van mijn vader.

De zuster van mama woonde in het huis naast De Keizer. Twee trappen op en men kwam in hun winkel van electriciteitsbenodigdheden. Nonkel was electrieker en matant bediende de benzinepomp .
De pomp stond aan de rand van het voetpad. Het was in die tijd niet zo druk in bezinestations als tegenwoordig. Nogal een geluk, de pomp werd handbediend. Door een slinger over en weer te duwen kwam de benzine in de tank terecht.

Door een gang met grote zwart en witte tegels kwam men in de keuken. Een steile draaitrap leidde naar de twee slaapkamers die boven de poort naast het huis waren. De Keizer had kamers boven de winkel, de winkel had kamers boven de poort.
De Poort gaf toegang tot een grote koer en een garage waar herstellingen aan de weinige autos gedaan werden. Er waren enkele lage gebouwtjes waar het niet al te propere kantoortje van de garage was. Margriet van Denderhoutem was er secretaresse.
De garage rook naar een mengsel van benzine , smeer en olie. De vloer , zwart van smeer en pek was er van doordrongen. We vonden het plezant om op de domme kracht te gaan staan en elkaar omhoog te pompen, zien wie het langst kon blijven staan.
Natuurlijk werden we weggejaagd als Jules de eigenaar binnen kwam. Dat gebeurde niet veel, en de poort was altijd open. We konden vrij in en uit.

Achter het gebouw was de ‘bleek’ en een kleine beek die uitgaf in de Kleine Dender. De vrouwen uit de buurt deden de was in de beek en lieten het linnen ‘bleken’ op het gras. De kinderen spatten rond in het water.
De groten gingen zwemmen in de Kleine Dender, die onder de pissein in de Burchtstaat doorliep. (!)
Aan de kant zaten de vissers. De gevangen vis werd mee naar huis genomen, gekuist en gebakken. Het gedacht alleen al zou ons nu een of ander vreemde ziekte met een ronkende naam doen krijgen.

Een klein pad liep door tot aan een hekken. Dat was het eind. Verboden terein.
Dat waren de ’weiden van Fransman’ . Daar liepen in een grote kudde schapen te grazen.
‘De schapen van Fransman’.

Verder op aan het eind van de weiden zou later de ‘Nieuwe Steenweg’ komen.. En nog later de Centrumlaam, en de appartementsgebouwen en de garages, en het nieuwe stadhuis…..en …en….